Project Gerardus van Aalst 

Proeve des geloofs

Gerardus van Aalst (1678-1759)

Korte verhandeling over vraag 21 van de Heidelbergse Catechismus

in voorbereiding

Woord vooraf

 

Er is al heel wat geschreven over de aard en het wezen van het ware zaligmakende geloof, en terecht, want zonder dit ware geloof is het onmogelijk Gode te behagen.

Hoewel Gods Woord helder en duidelijk is aangaande de omschrijving van het ware geloof en er talloze voorbeelden van de oefening van het geloof in de Schrift gegeven worden, zijn er toch verschillende meningen aangaande dit belangrijke onderwerp.

Bijgaand werk van Gerardus van Aalst geeft helder en Bijbels onderwijs over het ware geloof.

 

Eerst iets over de schrijver van dit boekje, een verhandeling over vraag en antwoord 21 van Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus.

De schrijver is predikant geweest in een drietal gemeenten. Hij werd geboren rond september in het jaar 1678 en heeft zijn theologische opleiding ontvangen aan de Universiteit te Leiden.

Hij was waarschijnlijk afkomstig uit een familie die bekend was door de schilderkunst en van oorsprong woonachtig in Antwerpen. Na zijn theologische opleiding werd hij op 10 augustus 1704 predikant te Vuren en Dalen. Hier stond hij tot 1706, toen hij zijn eerste standplaats verwisselde met Sommelsdijk, waar hij tot 1715 zijn ambtelijke arbeid verricht heeft. In Sommelsdijk trad hij in het huwelijk met Aletta van Meerten. Zij overleed op 23 december 1744.

Daarna werd hij predikant in West-Zaandam. Deze gemeente heeft hij bijna veertig jaar gediend. Op 11 augustus 1754 heeft hij zijn vijftigjarige gedachtenisrede over Psalm 71:17-18 gehouden.

In datzelfde jaar werd hij door een ziekte aangetast die het hem onmogelijk maakte zijn ambtelijke arbeid verder uit te oefenen. Hij ging in 1755 met emeritaat en overleed op 29 juni 1759, tachtig jaar oud.

Op 3 juli 1759 werd hij begraven en op 8 juli heeft zijn ambtgenoot Johannes Hansen een gedachtenisrede over hem gehouden met als uitgangspunt Psalm 37:37.

 

Van zijn hand zijn verschillende boeken verschenen. Hij is bekend geworden door zijn verklaring over de gelijkenis van de zaaier, De Parabel van den Zaajer, Verklaart en Toegepast in vier Predikatiën (1748). Een ander werk is Geestelyke Mengelstoffen, ofte, Godvrugtige Bedenkingen (1754). Bij de eerste druk was een gedachtenispredicatie vanuit Ezechiël 24:16 over zijn vrouw Aletta van Meerten gevoegd. De Jubeljaars-Predicatie ter gelegenheid van zijn vijftigjarig ambtsjubileum is eveneens uitgegeven (1754).

Ook is door hem uitgegeven: Proeve des Geloofs, ofte, Een korte Verhandeling over de 21 Vrage van den Heidelbergschen Catechismus (1749), met Bijbels en leerzaam onderricht over de aard en de oefening van het ware geloof.

 

In het laatstgenoemde werkje, nu weer herdrukt, geeft Gerardus van Aalst een beschrijving van het ware geloof. Ik vind hierin nauwe overeenkomsten met de omschrijving in het overbekende vragenboekje van Abraham Hellenbroek, wanneer deze spreekt over de eigenlijke en rechtvaardigmakende daad des geloofs.

Van Aalst maakt duidelijk dat er in het ware geloof sprake is van een proces van langzame, gestage groei en wasdom. Niet alles wordt direct verstaan en begrepen. Het blijft een levenslang leerproces, wat trouwens voluit Bijbels is.

Ook in het vertrouwen van het geloof ziet hij een soort groeiproces. Hij onderscheidt een toevluchtnemend vertrouwen, een overgevend vertrouwen en ten slotte een rustend vertrouwen. Uitgebreid wordt stilgestaan bij de zielenvragen die omtrent dit onderwerp leven. Op pastorale wijze gaat hij hiermee om.

 

Hij maakt, evenals vele oudvaders uit de tijd van de Nadere Reformatie, onderscheid tussen de uitgaande daad van het geloof, die noodzakelijk is tot zaligheid, en de wederkerende daad van het geloof, die vooral gericht is op het vertroostende gevoel in de gelovige.

 

Kortom, het is een zeer lezenswaardig werkje, dat handelt over het enige nodige, namelijk het ware geloof. Immers, zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.

 

Ik eindig met de karakteristiek die Leonard van Meerten, predikant te Arkel, in het grafschrift dat hij op zijn oudoom dichtte, van hem gegeven heeft:

 

Een trouwe boetgezant, van werken afgesloofd,

Een helder kerkenlicht, allengskens[1] uitgedoofd,

Een ster, die in veel kracht drie kerken heeft beschenen,

Is uit ons lievend[2] oog, o West-Zaandam, verdwenen.

Een waardig Bijbeltolk, en rusteloze ziel,

Die in haar ruste zelfs noch nimmer rust geviel;[3]

Die zuiv’re waarheidsbaak en raadsman van de vromen

Is, als de korenhoop, in ouderdom gekomen

In ’t graf, waar hij nu rust van zijn volijv’rig werk;

Die voor de waarheid zich begaf in ’t worstelperk.

Maar nu de kroon, die aan het eind was opgehangen,

En het genadeloon mag ongestoord erlangen.[4]

 

Ds. D. Heemskerk                 

Nieuw Milligen